Draaideurconstructies
Met deze nieuwe wet wordt het uitgangspunt dat tijdelijke contracten alleen bedoeld zijn voor tijdelijk werk. Na 3 tijdelijke contracten mag er 3 jaar lang geen tijdelijk contract meer worden afgesloten tussen werkgever en werknemer. Nu ligt die grens nog op 6 maanden. Met deze wijziging wordt bijna 100% van de draaideurconstructies voorkomen.
Oproepcontracten
In plaats van de nulurencontracten komt er een bandbreedtecontract. Daarin wordt er een minimum- en een maximumaantal uren afgesproken, waarbij het verschil maximaal 30% is. Dit betekent dat bij een minimum van 10 uur het maximum 13 uur is. Oproepen die boven het maximum zitten mogen door de werknemer geweigerd worden. En als er structureel meer wordt gewerkt moet er een contract worden aangeboden met een hoger aantal uren. Wel kent de wet een uitzondering voor bijbanen van mensen die een ander hoofdactiviteit hebben, zoals AOW-gerechtigden, scholieren en studenten.
Uitzendkrachten
Mensen die werken via een uitzendbureau moeten minimaal gelijkwaardige arbeidvoorwaarden krijgen als mensen die regulier in dienst zijn. Dit volgde voor beloning al uit een uitspraak van het Europees Hof van Justitie, en wordt nu voor alle arbeidsvoorwaarden vastgelegd in de Nederlandse wet. Dit onderdeel treedt eerder in werking, op 31 december 2026. Ook worden de meest onzekere fases van uitzendwerk verkort. En tot slot krijgt de minister de mogelijkheid om in te grijpen als er sprake is van structurele onderbetaling in de uitzendsector.
Arbeidsmarktpakket
Samen met enkele andere wetsvoorstellen vormt dit voorstel een hervorming van de Nederlandse arbeidsmarkt die moet zorgen voor meer zekerheid voor werknemers en meer wendbaarheid voor ondernemers. Het is het tweede wetsvoorstel van het arbeidsmarktpakket dat is aangenomen. Eerder is de wet invoering rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief aangenomen. Deze wetsvoorstellen vloeien voort uit afspraken die het kabinet in 2023 heeft gemaakt met vakbonden en werkgevers en zijn gebaseerd op het rapport van de commissie Borstlap uit 2020 en het SER-advies uit 2021.